Slavenregisters

Slavernij in Suriname
Suriname werd als plantagekolonie in 1650 gesticht door Engelse kolonisten en in 1667 overgenomen door de Nederlanders. Vanaf het begin werden de plantages bewerkt door mensen in slavernij. Dit waren vooral mensen afkomstig uit Afrika, maar ook sommige inheemsen moesten gedwongen op de plantages werken. De sterfte onder deze mensen was groot. Er wordt geschat dat zeker 213.000 mensen vanuit Afrika naar Suriname zijn gebracht tussen 1668 en 1827. Rond 1830, na de afschaffing van de internationale slavenhandel leefden er ongeveer 50.000 mensen in slavernij in Suriname (naast ongeveer 5.000 vrije gekleurde mensen en een onbekend aantal marrons). De afschaffing van de internationale slavenhandel betekende niet het einde van de slavernij. Pas op 1 juli 1863 werden de mensen in slavernij geëmancipeerd en werd de slavernij in Suriname formeel afgeschaft.

Slavenregisters
Bij Koninklijk Decreet werd in 1826 het slavenregister in Suriname ingesteld. Dit gebeurde om de illegale slavenhandel te bestrijden. De internationale slavenhandel vanuit Afrika was toen al verboden, maar de smokkel van mensen naar Suriname ging gewoon door. Een verplichte registratie van alle slaaf gemaakte mensen met naam en leeftijd, inclusief geboorte, overlijden en elke verandering van eigenaar moest het onmogelijk maken om mensen illegaal tot slaaf te maken en zo de sluikhandel definitief stoppen.

Volgens het decreet van 1826 moesten slaveneigenaren de mensen in hun bezit opgeven bij een ambtenaar in Paramaribo of Nieuw Rotterdam (voor de inwoners van Nickerie en Coronie). Daarna moest elke ‘mutatie’ worden aangegeven bij deze ambtenaar, zoals geboorten, overlijden, koop en verkoop. Vooral bij verkoop geldt dat uitschrijving op het folio van de ene eigenaar ook betekent dat de persoon bij een andere eigenaar wordt ingeschreven. Mensen die meerdere keren worden verkocht hebben dus meerdere in- en uitschrijvingen.

Op deze manier werd het bijna onmogelijk gemaakt om illegaal binnengesmokkelde mensen in de slavenregisters op te nemen. De slavenregisters waren dus opgezet als een ‘boekhouding’ van mensen per eigenaar. Deze registers maken het nu mogelijk om mensen in slavernij door de tijd heen te volgen.

Het is onduidelijk of er direct werd begonnen met de registratie. De oudste bewaard gebleven slavenregisters stammen uit 1830. Eens in de zoveel jaar werd met een nieuwe reeks registers begonnen, om te kunnen controleren of de geregistreerde informatie nog klopte. Het gevolg is dat er in totaal vier series slavenregisters zijn: 1830-1838, 1838-1848, 1848-1851 en 1851-1863. Samen omvatten ze 43 boeken met in totaal bijna 15.000 folio’s. Elke serie slavenregisters is verdeeld in boeken voor plantages en particuliere eigenaren. Bij plantages is alleen de naam van de plantage vermeld en de divisie, de bestuurseenheid, waar deze plantage deel van uitmaakte. Bij de particuliere eigenaren wordt de naam vermeld van de eigenaar of eigenaren.

In de loop van de jaren nam de geregistreerde informatie in de slavenregisters toe. Zo werd vanaf 1848 bij elk persoon ook de moeder vermeld, wat reconstructies van vrouwelijke familielijnen mogelijk maakt. Behalve de moederband werden verdere familie- of samenlevingsverbanden niet erkend in het slavenregister. Per eigenaar werden eerst de mannen geregistreerd op volgorde van leeftijd, vervolgens de vrouwen en daarna mensen die er bij kwamen gedurende de registratieperiode. Een folio is altijd gekoppeld aan één eigenaar (of gezamenlijke eigenaren) of een plantage. Wel konden er meerdere folio’s gekoppeld worden aan dezelfde eigenaar of plantage als er meer slaafgemaakte mensen waren dan er op één folio vermeld konden worden.

Hoewel er beperkingen zijn aan het soort informatie dat in de slavenregisters is te vinden, kan het register worden beschouwd als een belangrijke bron over slaafgemaakte mensen in het negentiende-eeuwse Suriname. De waarde van de slavenregisters zit vooral in de omvang van het materiaal en in het gegeven dat vrijwel iedereen die als slaafgemaakte leefde werd vermeld, net als alle particuliere slaveneigenaren en plantages.

Zogeheten ‘landsslaven’, mensen die rechtstreeks in eigendom waren van de overheid, werden lange tijd niet opgenomen in de slavenregisters. Pas in de vierde serie vanaf 1851 zijn ze opgenomen op de folio’s van het Genie Department en ’s lands grond Boniface. Mensen die werkten op plantages als Catharina Sophia, die door de overheid waren overgenomen, staan wel in de oudere series van de slavenregisters. Soms werden mensen ‘besmet’ verklaard. Dat betekende dat de ziekten lepra of elefantiasis bij ze was geconstateerd. Ze werden dan naar de leprakolonie Batavia gestuurd en uitgeschreven uit de slavenregisters.

Inhoudelijke informatie:

  • De naam bestaat altijd uit een voornaam, want mensen in slavernij mochten geen achternaam hebben. Soms waren mensen onder een andere naam bekend dat hun formele naam. In dat geval werd deze naam vermeld, tussen haakjes of als alternatief (‘ Klaas of Nicolaas’). Bij de naam staan soms toevoegingen om mensen met dezelfde naam uit elkaar te houden. Vaak is dit een nummer (‘Anthonie 2’) of een eigenschap (‘Groot Kees’). Een enkele keer staat er een afkorting achter de naam. Soms is dat de afkorting van een plantage waar iemand eerder toe behoord heeft en soms is het niet duidelijk wat deze afkorting betekent.
  • Er kan achter de naam extra informatie staan. Dit kan een vermelding zijn of de persoon deel is van een tweeling of drieling. Het kan ook aanvullende informatie zijn over de eigenaar. Als er ‘privé’ staat dan betekent dit dat iemand eigendom was van een privépersoon. Staat er ‘nomen uxorum’ dan betekent dit dat de persoon ingeschreven staat onder de naam van een man, maar in werkelijkheid bezit is van diens vrouw.
  • Leeftijd: de leeftijd die mensen hadden op het moment van inschrijving.
  • Moeder: dit is de naam van de moeder van de persoon. De informatie vermeld onder ‘Naam’ geldt hier ook. Soms staat er achter de naam dat moeder overleden is, soms staat er geen naam, maar alleen de vermelding ‘overleden’. Met name bij oudere mensen staat bij moeder vaak ‘onbekend’.
  • De belangrijkste datum in de slavenregisters is de mutatiedatum. Dat is de datum waarop een inschrijving of uitschrijving geregistreerd werd in het register. Ieder slaaf gemaakt persoon is in de database minstens twee keer te vinden: één keer wanneer hij of zij is ingeschreven één keer wanneer hij of zij is uitgeschreven van dat folio. De mutatiedatum is niet hetzelfde als een geboorte- of sterfdatum: vooral bij plantages kon er soms maanden zitten tussen de datum van de gebeurtenis en de mutatiedatum. Tot ongeveer 1850 werd alleen de mutatiedatum vermeld, daarna ook de geboortedatum of sterfdatum.
    In sommige gevallen kregen mensen geen mutatiedatum. Bij de introductie van een nieuwe serie slavenregisters werden mensen van het folio van hun eigenaar in het oude register overgeschreven in het nieuwe register. Die inschrijving werd niet apart gemeld. Ook bij de emancipatie op 1 juli 1863 werd niet vermeld dat mensen werden uitgeschreven. Iemand die van 1851 (introductie vierde serie slavenregisters) tot 1863 bij dezelfde eigenaar is gebleven heeft dus geen mutatievermelding. We hebben dit opgelost door de mensen die vanaf 1851 ingeschreven stonden als mutatiedatum ‘1851’ te geven en mensen die in 1863 nog in de boeken stonden de mutatiedatum ‘1 juli 1863’.
    Een bijzondere groep mensen die geen mutatiedatum kregen waren mensen die in- of uitgeschreven werden op basis van een gouvernementsresolutie. In dat geval kunt u de datum van de gouvernementsresolutie als de mutatiedatum beschouwen. Als er sprake is van een gouvernementsresolutie, kunt u die vinden in het veld Aanvullende informatie.
  • Plantage of Particuliere eigenaar: er zijn twee groepen eigenaren in de slavenregisters: plantages en particuliere eigenaren. De naam van de eigenaar staat op de folio helemaal bovenaan de pagina over de volle breedte van de folio. Bij plantages wordt de naam van de plantage vermeld, gevolgd door de divisie of het district waarin de plantage is gelegen en daarna de vermelding plantage. Plantage Accaribo in de divisie Para wordt daarom geschreven als: ‘Accaribo Divisie Para Plantage’ Soms wordt het woord ‘plantage’ vervangen door een meer specifieke aanduiding, zoals ‘houtgrond’ (een bosbouwplantage). 
    Bij particuliere eigenaren wordt altijd begonnen met de achternaam van de belangrijkste eigenaar, gevolgd door aanvullende informatie en eindigend met de voornamen of voorletters van de belangrijkste eigenaar. Het folio waarop bijvoorbeeld de slaafgemaakte mensen staan van Isaac Jacob Bueno de Mesquita en zijn vrouw heet: ‘Mesquita privé en nom.ux., Isaac Jacob Bueno de’.

Ongebruikelijke woorden en afkortingen:
De slavenregisters werden bijgehouden door ambtenaren die vaak ambtelijk jargon en afkortingen gebruiken. Ook is de taal sinds de 19e eeuw veranderd, zodat er soms woorden gebruikt zijn die wij niet meer kennen. Hieronder staat een lijst met veel voorkomende voorbeelden.

  • a.h. ad hoc
  • Augs. Augustus
  • Batavia Leprakolonie (mensen die besmet waren gingen daar naar toe)
  • Besmet mensen waren ‘besmet’ als ze de ziekte lepra of elefantiasis hadden.
  • bl. boedel (nalatenschap, bezit)
  • Comm: Commissariaat
  • c.s./cs. cum suis (en de zijne)
  • dd. de dato, van de datum
  • Decemr. december
  • di. dito, hetzelfde
  • d.j. dit jaar
  • etc. et cetera
  • Executeren uitvoeren van een besluit of vonnis (het verwijst niet naar de doodstraf) 
  • Febij. februarij
  • Fo. Folio
  • Geb. geboren
  • Gemanum: Gemannumitteerd (vrij geworden) 
  • Genl. Generaal (algemeen)
  • Geobmitteerd afwezig zijn, overgeslagen worden
  • Geregd/Gergd: Geregistreerd
  • G.G. Gouverneur-Generaal (de hoogste bestuurder van Suriname en de Antillen)
  • Gouv. Gouvernement (koloniale overheid)
  • Gouv. Res. Gouvernementsresolutie. Besluit van de koloniale overheid, nodig als van de regels werd afgeweken, bv. bij een vrijlating of als iemand vanaf een plantage werd verkocht. 
  • id. idem, hetzelfde
  • Inl. inlandsche
  • Janij. Januarij
  • jr. junior
  • Kol: Ontv: Koloniale Ontvanger (financieel ambtenaar)
  • ll. laatst leden
  • Manumissie Iemand vrijmaken uit slavernij
  • md./mindj: minderjarige
  • nn. nomen nescio, (naam onbekend)
  • No. numero
  • n.o. naam onbekend
  • nom. ux./n.ux nomen uxoris (een man die zaken regelde uit naam van zijn echtgenote)
  • Novemr. November
  • Octbr. October
  • Pé. Privé (persoon is privé bezit van de eigenaar)
  • pl./plante. plantage
  • privé en N.ux. Persoon is bezit van een mannelijke eigenaar en diens vrouw samen.
  • qq. qualitate qua (in hoedanigheid van/namens)
  • R. Registratie

Bron van de collectie:
De originele boeken bevinden zich in het Nationaal Archief Suriname in Paramaribo.

Het project ‘Maak de Surinaamse slavenregisters openbaar’ was een gecombineerde crowdfunding- en crowdsourcingcampagne met als doel om de slavenregisters van Suriname te digitaliseren, de inhoud te beschrijven en online beschikbaar te stellen voor publiek en wetenschappelijk onderzoek. De crowdfunding werd gehouden in de winter van 2017, de scans werden getranscribeerd door vrijwilligers tussen 20 juni en 1 oktober 2017. Het initiatief voor het project lag bij Coen van Galen en Maurits Hassankhan.

Het project is uitgevoerd in samenwerking met de Radboud Universiteit Nijmegen, de Anton de Kom Universiteit van Suriname, de Nationale Archieven van Nederland en Suriname, de Stichting Surinaamse Genealogie, twintig Surinaamse en Nederlandse studenten en meer dan 600 vrijwilligers.

De uiteindelijke database is samengesteld door Coen van Galen en Maartje A.B. van de Radboud Universiteit en is de basis geweest van de nadere toegang zoals deze nu gepresenteerd wordt op de website van het Nationaal Archief.

De rechten van de digitale collectie liggen bij de Stichting Historische Database Suriname.

Meer weten?
Je kunt meer informatie over de Surinaamse registers vinden op de website van het Nationaal Archief.